In gedachten ben ik naar je huis gefietst. Ik reed via de Boekweitakkers, met links bomen en rechts de akker, richting het oosten. De lucht was van het voorjaar. Het heeft net geregend en ik heb een nieuwe fiets. Je zult het mooi vinden straks als je hem ziet.
Als ik vlakbij je huis ben, word ik toch een beetje zenuwachtig. Is het wel verstandig om zomaar langs te komen zonder eerst even te bellen of te appen? Straks krijg ik spijt als je me de deur wijst, of je bent niet thuis. Dat kan ook. Ik fiets door, want er is iets dat ik zeggen wil.
Langs het kanaal zit iemand te vissen. Hij kijkt uren naar zijn dobber, die in een andere wereld is tussen de vissen. "Moi.""Moi."
De klinkerweg stuitert m'n nieuwe fiets alle kanten op. De brug is al in zicht. Als ik er ben, zie ik geen auto's. Direct maar oversteken. Nu is het nog maar een kilometer. Mijn handen zijn nat geworden van het zweet.
Je zult me wel raar vinden om wat ik te zeggen heb. Nu nog 100 meter. Ik kan nog terug, maar ik houd vast aan mijn plan. Daar sta ik bij je huis. Ik ga van m'n fiets af en blaas lucht uit. Je bent zo dichtbij nu. In je brievenbus de krant, in mijn hand mijn fiets en dat wat ik zeggen wil op een kleine kaart. Ik zet m'n fiets op de standaard. Ik bel aan.
'Moi.' "Moi. Ik kom je iets zeggen," zeg ik. "We hadden geen afspraak," zeg jij. "Dat weet ik," zeg ik, "maar ik moet iets zeggen. Mijn verlangen is zo groot. Jij... oh wat leuk. Ben je verliefd? ' 'Ik ben al zo lang verliefd, maar ik weet niet op wie of wat, dus ik heb het op jou geprojecteerd. Wat jij met me doet. Je kraakt m'n botten. Je kookt m'n bloed. Je laat m'n hart dansen en mijn nieren maak je schoon. Mijn liefde voor jou is zonder begin, is en zal altijd zonder einde zijn. Zo wil ik bij je zijn, voor even, en nooit meer bij je vandaan.
Dan zeg je: "Doe eens rustig. Wat is dit nou weer voor onzin en rare lyriek?" 'Ik begrijp het zelf ook niet. Het zit jou, in muziek. Het zit in de haarvaten van de aarde, in de lucht. Het is de liefde waarvan ik het meest zucht.'
'Meid, meid, je hebt het ook niet makkelijk," zeg je, 'Ik maak voor jou wat thee. Kom maar even mee.'
Zo zitten we die middag samen in het gras.
Als ik het zou durven doen, alsof het altijd zomer was.