Plots zie ik in de tuin hoe hoog in de boom een roofvogel een jonge ekster uit zijn nest haalt. Er schiet door me heen wat een vriend gisteren over eksters zei, dat eksters niet goed zijn voor kleine tuinvogels. In de tuin gaat het ondertussen snel; de roof ziet er gewelddadig uit. Ik sla mijn hand voor mijn mond.
De jager, een buizerd die zijn prooi tussen zijn poten houdt, gaat ervandoor naar de bomen even verderop. De ouders van het jong vliegen er met grote snelheid achteraan, en met hen alle eksters en kauwen uit de omgeving. Ze komen te hulp. Intelligente dieren zijn het, kauwachtigen. Sociaal ook. En het zijn er plots heel veel. Ze maken een hoop lawaai. Het lost niets op. De jonge ekster wordt gegeten.
Ik probeer te luisteren naar wat ze zeggen. Boosheid, verdriet, onmacht, jammerklacht, zo interpreteer ik het. Of zouden ze, zoals wij mensen, een oorzaak-gevolganalyse bespreken? Zou er iemand onder de kauwen, conform een aantal vooraanstaande natuurkundigen, nu beweren dat de natuur betekenisloos is, en de dood van het eksterjong daarmee ook? Ik weet het niet, ik spreek geen kauwentaal.
Na twintig minuten keert langzaam de stilte terug. Ik adem in. De zon zakt in de dag. De eksterouders zijn vannacht zonder hun jong. Het nest is leeg. Ik zie voor me hoe de eksters een maand geleden bezig waren met het bouwen van hun nest en ik denk aan de buizerd, die geen keus heeft dan te doden om te overleven.