Ergens in mijn onderbewuste leeft het gevoel dat ik op een dag niet meer weet wat ik moet doen. Dat ik hulpeloos ben, dat er niemand is die kan helpen en dat ik alleen sterf op een plek waar ik pas jaren later gevonden word.
Het is me in een vorig leven overkomen, denk ik. En trauma’s willen we niet nog eens meemaken — die gaan we doorgaans uit de weg. Het litteken is daar eenvoudigweg te pijnlijk voor. Ik zeg ook maar wat, natuurlijk. Maar hoe die angst me afgelopen dagen stiekem plaagde, die was echt.
Ik weet heus wel dat mijn auto, waar ik steeds meer van ga houden, niet de jongste meer is. Maar ze brengt me wel overal naartoe. Ik rijd met haar door de bergen. Soms sputtert ze wat op steile stukjes. Dan moedig ik haar aan, en redt ze het net.
We nemen afslagen die niemand neemt. Het is hier prachtig stil. De 4G gaat naar 3G en valt vervolgens helemaal weg. De weg is smal. Ik ben alleen op de wereld. Als me hier iets overkomt, kan ik het wel vergeten.
Na een bocht komt een smal bruggetje, daarna weer bomen. Een steil stuk. En dan wordt het mijn auto te veel. Pling. Er gaat een lampje branden. Iets met de motor. Ik slik. Nu moet ik dus aanvaarden waar ik zo bang voor was.
Ik probeer in het nu te blijven. Dan maar huilen. Het helpt niet, maar het lucht wel op. Ze blijft rijden, maar ik weet niet voor hoelang. Ik besluit door te gaan, ik weet niet wat er gebeurt als ik haar nu stilzet. Misschien wil ze dan helemaal niet meer. Het is een gok. Nog zeven kilometer tot het eerstvolgende dorp.
Ik beloof mezelf dat ik me nu echt ga inschrijven voor een cursus autotechniek. Dat wil ik al heel lang. Gewoon omdat mijn auto me overal brengt, en ik inmiddels een soort relatie met haar heb. Ik wil haar beter leren kennen, haar begrijpen waar dat kan. Maar aan die belofte heb ik nu niks.
Ik rijd rustig door terwijl de scenario’s door mijn hoofd blijven gaan. Moet ik haar straks inleveren? Allerergst. Of is er niemand in de buurt die haar kan repareren? Moet ik nog vijftig kilometer verder omdat ze het juiste onderdeel hier niet hebben? Je zult het net zien. Ik bedenk waar ik dan moet slapen. Mijn hele gevoel van vrijheid is binnen een half uur naar de gallemiezen.
Na zo’n 45 minuten kom ik in een dorpje. Ik rijd rechtstreeks naar een garage. In mijn beste Frans — niet best — leg ik de situatie uit. De verhalen die ik als kind hoorde, dat garagehouders in het buitenland niet te vertrouwen zijn, spoken even door me heen. Een monteur komt aanlopen, nee, lang niet zo sexy als in films. Hij loopt met me mee. Toevallig komt er ook een klant aan die Engels spreekt en zich opwerpt als tolk. De monteur stapt in mijn auto en checkt met een tablet de motor.
Hij zegt zoiets als: 'Ze hebben bij je laatste controle een schuifje verkeerd gezet. Dat heb ik nu weer goed gezet. Je kunt weer rijden.' Hij is er nog geen vijf minuten mee bezig. Ik betaal hem en rijd weer verder.
De werkelijkheid is veel aardiger dan de verhalen van vroeger me willen laten geloven.
Misschien is het daarom dat vooral oudere vrouwen me vaak zeggen dat ze niet alleen op pad durven in de wereld. Bang gemaakt, en bang gebleven. Vandaag heb ik weer iets van me afgeschud, of beter vertrouwen gekregen.