Al geruime tijd rijd ik nu door het groen in de bergen. Er is niet veel verkeer. Ik voel me hier zo thuis, alsof ik in het paradijs ben. Als ik een bocht om ben, zie ik in de verte zo tegen de heuvels een middeleeuws stadje. Met een hoge muur en kerkje. Niet te missen.
Ik rijd er op aan. Dat vind ik ook zo mooi aan dit landschap; het ene moment weet je zeker dat je alleen op de wereld bent, terwijl je als je de bocht om bent je zomaar midden in de relatieve drukte kan staan; bezette picknickbankjes of wat meer dan dat.
Ik minder vaart want na de bocht rijd ik uit het niet in een dorpje aan de voet van het stadje. Hier lopen dan toch veel mensen. Stapvoets ga ik linksaf. Links en rechts terrasjes, en souvenirswinkeltjes. Dat laatste is een duidelijk teken dat ik hier toch niet moet zijn.
Ik schuif mijn auto door als er 100 meter van een zebrapad een man en vrouw oversteken. Ik rem verder af, en moet helemaal stoppen omdat de man midden op de weg blijft staan. Hij kijkt naar mijn nummerbord, en dan loopt hij naar mijn raampje. Hij kijkt boos, zegt niets en maakt gebaren met zijn handen. Ik neem me voor om er niet over na te denken waarom deze man dat doet.
Ik zeg ook niets, voel even een vreemde kriebel in mijn onderbuik en kijk naar zijn vrouw die doorloopt. Zij gaat de hele middag nog met hem op stap. De man kijkt in mijn auto en ziet dat ik alleen met mijn gitaar ben, loopt terug naar de voorkant van de auto, en door naar de stoep. Daar wacht zij met haar tasje keurig op hem. Hij was even los, maar ze verkleven zich nu weer. Zij moet met hem en zijn opgefoktheid de hele middag nog in de drukte lopen, later na de wijn met haar lichaam zijn frustraties opvangen en morgenvroeg met hem wakker worden. Arme zij.
Ik rijd door langs de geparkeerde auto's en ouders met kinderen. Weg van hier. Ik neem een andere afslag dan ik van plan was, en kom terecht in een wandelgebied. Ik rijd twee kilometer van de doorgaande weg. Opnieuw niemand op de wereld.
De parkeerplaats is leeg. Wat een geluk. Ik loop door de bomen, langs een beekje. Langs het wandelpad veel bloemen en vlinders. Ik ga zitten op een steen. Terwijl ik alleen mijn appel eet kijk ik om me heen en voel me zo rijk. Als het zachte briesje er even niet is, hoor ik tussen het zingen van de vogels de stilte. De bron. Ik adem het in. Wat heb ik dit gemist.