Er was eens een land, hier ver vandaan. In dat land riep de koning op om te gaan vechten tegen de vijand. De mensen van het land vroegen de koning: 'Wie is dan de vijand?’
En de koning sprak: 'Zij die anders zijn dan wij, zij die kwaad doen. Je kunt ze herkennen aan hun blauwe haar.’
‘We gaan niet vechten,’ zeiden de mensen. Ze kwamen in verzet en stelden hem vragen. De mensen zeiden: 'Maar wij zijn onderling zo verschillend. Wie zijn wíj?’
Toen sprak de koning: 'Wij zijn zij die op dit land geboren zijn, die hier gezwoegd en gezweet hebben. Aan ons behoort dit land.’
De mensen keken elkaar bevreemd aan en zeiden: 'Onze voorouders waren net als zij, op de vlucht voor hun koning, die wilde dat ze gingen vechten tegen hun vijand. Wij kwamen hier en werden opgevangen door het leven hier. Waar was u toen? Wilt u dat wat wij hebben vergaard nu besteden aan bloedvergieten? Wilt u dat wij nieuwe vluchtelingen maken? Een vijand maken en willen verslaan is vluchtelingen maken. Ga zelf vechten, koning!’
Dat had de koning niet verwacht en hij trok zich terug in zijn paleis. Niemand wist waar het heen zou gaan. De mensen van het land herontdekten de schoonheid van verschillen en stelden vragen over wat goed en kwaad is. In de media klonk een steeds helderder geluid en heel langzaam kwam de propagandamachine tot stilstand.
Na veertig dagen in stilte te hebben geleefd, kwam de koning naar buiten en zei: 'Verdeel de rijkdommen van dit land onder alle mensen!’ De mensen juichten en jubelden. Er werd tot laat gedanst in de straten. Overal was muziek. De mensen leefden weer met de aarde, de bomen en de dieren. En er kwam nooit meer oorlog.